‘Naples. Hoeveel mijl stond er nou op dat bord?’
‘Je rijdt te hard.’
Mijn vader zit naast me in de auto. We zijn veel te vroeg om al bij ons logeeradres in Portland, Maine te arriveren. We hebben wat tijd te doden. Het stadje Naples is onze redding. Het ligt aan het Long Lake en er vaart een rondvaartboot. Met schoepenrad. Mijn vader en ik houden van rondvaarten. Zolang ze maar geen veertig dollar voor drie kwartier kosten. Hebben we deze vakantie eerder meegemaakt.
‘Vier vijftig’, zegt de vrouw van de kapitein. Zij heeft een snor die bijna net zo groot is als die van haar man, die met schipperspet op en in hagelwit uniform naast haar staat.
‘Negenenvijftig minuten en zestig seconden vandaag’, antwoordt de kapitein hard lachend op onze vraag hoe lang de rondvaart wel mag gaan duren. We twijfelen. Niet vanwege de vaarduur, maar vanwege de grap.
‘Is dat de bekende Amerikaanse humor?’ vraagt mijn vader.
‘We komen er zo achter’, antwoord ik terwijl ik tien dollar aan de schippersvrouw overhandig. Zij grinnikt nog na.
Het is nog voor het hoogseizoen en veel gebeurt er niet op het Long Lake, bij Naples.
De kapitein kraakt door de intercom. Hij is van plan om zijn passagiers de hele tocht lang te informeren over de bezienswaardigheden op en rond het meer.
‘Ziet u links dat groene vakantiehuisje? Dat was vorige zomer nog rood.’ De kapitein en zijn boot komen op stoom. Mijn vader kijkt mij aan met een blik die berusting in zijn lot verraadt. Ik haal mijn schouders op. Ik kon het toch ook niet weten?
‘Als de eigenaar van het grijze huisje met dat beeld op het gazon thuis is, dan zwaait hij altijd,’ meldt de kapitein vol vuur. Mijn vader ritst zijn rugzakje open en haalt er zijn boek uit.
‘Nog achttien pagina’s,’ zegt hij. ‘Dat moet lukken.’
‘We varen nu over het diepste punt van dit deel van het meer,’ kondigt de onophoudelijk enthousiaste kapitein aan. Ik kijk over de rand van het schip. Brakbruine golfjes splitsen voor de boeg. De kapitein is inmiddels begonnen met het noemen van alle sporten die beoefend worden in de vele zomerkampen aan de andere oever van het meer. De lijst is onuitputtelijk en schoont in zijn monotone cadans mijn geest.
Na precies één uur legt de boot weer aan. Mijn vader heeft zijn boek uit. Het schippersechtpaar lacht ons toe en zwaait ons uit. Volkomen uitgerust hervatten we onze reis.
(Gepubliceerd in NRC Handelsblad)